Please update your Flash Player to view content.
Kasteel Kuinre
Ga terug

Kuinre

Nederland
Voldoet aan definitie
voldoet
Bestemming
Onbekend
Synoniem
Aldebrech;
Commentaar? hier
Zichtbare toestand
Ruïne
Typologie
Motte
Stichting
12e eeuw, 1e kwart
Datum gegevens
25-feb-2010

Ligging

Kuinre / Steenwijkerland / Overijssel
Op de grens van dit 'vrije' Friesland en het Oversticht, dat in handen was van het bisdom Utrecht, is de heerlijkheid Kuinre ontstaan. In 1165 schonk de Utrechtse bisschop Godfried van Rhenen aan de Friezen van Lammerbroek een stuk grond nabij het huidige Kuinre. Deze schenking was naar alle waarschijnlijkheid de eerste aanzet tot de kolonisatie in de tweede helft van de 12 eeuw en daarmee van het ontstaan van de nederzetting. De heerlijkheid Kuinre die in de loop der tijd ontstond moet ongeveer de grootte gehad hebben van de huidige Noordoostpolder

Typologie tekst

Oorspronkelijk een motte maar in het begin van de 13e eeuw omgevormd tot een ronde of polygonaal kasteel.

Huidige toestand

Geconsolideerde opgraving.

Oudste vermelding

De eerste vermelding van de naam Kuinre komen we tegen in een oorkonde uit 1118. Hierin verkrijgt de Utrechtse bisschop Godebold door ruiling een 'swechus juxtta Cunre' met enige hoeven. In de oorkonde wordt een weide bedoeld die gelegen was aan de rivier de Kuinder, maar de locatie hiervan is niet precies bekend.

Historische betekenis

Geschreven bronnen uit de periode van het eind van de 12 tot en met het begin van de 15e eeuw verwijzen naar de aanwezigheid van verschillende heren of ridders van Kuinre en het bestaan van een 'bergh' te Kuinre. Rond 1197 is er in de bronnen sprake van ene 'Heynric die Crane', een bisschoppelijke ministeriaal (ambtman), die vanuit zijn versterking de Friezen bestookte. In dat jaar werd zijn burcht bij een aanval van graaf Willem van Friesland (de latere graaf van Holland) met de grond gelijk gemaakt. In 1204 verzoenden de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht zich en kreeg de Heer van Kuinre zijn goederen en rechten terug. Tussen 1213 en 1263 zijn er in de historische bronnen geen vermeldingen bekend van ridders of heren van Kuinre. Vreemd genoeg word heer Jan van Kuinre in 1331 door graaf Willem III van Holland beleend met onder andere de heerlijkheid Kuinre, waartoe de 'alde berch' bij Kuinre behoorde. De belening omvatte tevens een gedeelte van het strategisch gelegen eiland Urk en een deel van Schokland. De heren van Kuinre hadden een grote machtspositie, omdat de handelsroutes van en naar de IJsselmonding langs hun territorium liepen. Het kasteel Kuinre was bovendien ook nog eens uitermate strategisch gepositioneerd ten opzichte van de rivieren de Kuinder of Tjonger en de Linde. Emmeloord (op Schokland, dat nog tot het midden van de 15e eeuw aan het vaste land verbonden moet zijn geweest) diende tevens als uitvalsbasis voor hun rooftochten op de Zuiderzee. In de 14e eeuw klaagden de besturen van onder andere de Hanzesteden Zwolle, Kampen, Deventer, Stavoren, Hamburg, (Duitsland) en Danzig (Polen, nu Gdansk geheten) dan ook herhaaldelijk over hun misdragingen.

Bouwgeschiedenis

De burchten van Kuinre lagen uiterst strategisch gepositioneerd ten op zichte van de rivieren de Kuinder of Tjonger en Linde en de handelsroutes van diverse hanzesteden over de Zuiderzee. Hun verdediging was gebaseerd op een heuvel met daar uit oprijzend of bovenop staand een ringmuur Tevens hadden ze een uitgestrekt stelsel van watervoerende grachten / sloten en wallen. Om deze grachten watervoerend te houden moest men het complex op een laag punt in de omgeving aanleggen. Illustratief hiervoor is dat de tweede burcht in 1433 zelfs werd buitengedijkt. In het open, vrijwel boomloze, landschap waarin de burchten lagen moeten deze uitgestrekte complexen grote indruk gemaakt hebben.

Vanaf mogelijk het laatste kwart van de 12e eeuw tot aan 1531 heeft men bij de burchten van Kuinre steeds vastgehouden aan hetzelfde bouwconcept, die van het mottekasteel. Het mottekasteel was voor de landsheren en de hoge adel een veel gebruikt type burcht voor de opbouw en de consolidatie van hun territorium. Later echter gingen zij veelal over tot de bouw van de meer moderne ronde of veelhoekige en vierkante kastelen. De lage adel bleef gebruik maken van het mottekasteel. De burchten van Kuinre zijn illustratief voor deze ontwikkeling.

Bezitgeschiedenis

De heren van Kuinre sloegen in de late 13e en 14e eeuw munten zonder daartoe het recht te bezitten. Deze munten waren bovendien nabootsingen met een lager zilvergehalte van munten van machtiger vorsten. Uit de vondsten blijkt dat de munten van Kuinre voornamelijk hebben gecirculeerd in de gebieden rond de Oostzee en de Noordzee: Scandinavië, de Noord-Duitse kust, Denemarken, Friesland, Holland en Engeland. Voornamelijk door de opkomst van de metaaldetector zijn in Nederland de laatste jaren een groeiend aantal exemplaren bekend geworden. Binnen de vondstverspreiding hiervan vormt Friesland het kerngebied.

Behalve door deze kernactiviteiten van piraterij en valsemunterij lieten de Heren van Kuinre zich in de late Middeleeuwen ook op het politieke vlak gelden. De burcht van Kuinre had in de oorlogen die de graaf van Holland Albrecht van Beieren aan het einde van de 14e eeuw voerde om Friesland te veroveren een belangrijke rol gespeeld. In deze periode hadden de heren van Kuinre kans gezien om naast hun leenrechterlijke relatie met de bisschop van Utrecht ook allianties met zowel de graaf van Holland als de Friezen aan te gaan. Met deze tegenstrijdige belangen waren ze voor de bisschop een onbetrouwbare bondgenoot.

Archeologie

De twee Kuinderburchten zijn in 1943 en 1951, kort na de drooglegging van de Noordoostpolder archeologisch onderzocht en genieten beide vanaf 1978 de status van archeologisch monument. De eerste burcht is in 1948 gedeeltelijk gereconstrueerd. In 1988 is deze reconstructie aangepast.
Sinds kort is er, mede naar aanleiding van de in het Poldermuseum Nieuw Land te Lelystad gehouden tentoonstelling 'Kuinre: Bagdad van het Noorden', hernieuwde belangstelling voor de burchten. Dit heeft ertoe geleid dat de Stichting Burcht(en) van Kuinre is opgericht. Deze stichting heeft zich tot doel gesteld om, in het kader van de toeristische ontwikkeling van het oostelijke deel van de Noordoostpolder, te komen tot een eventuele reconstructie en herbouw van de burcht(en). Om een verantwoorde presentatie te kunnen onderbouwen heeft men gekozen voor het doen van nieuw archeologisch en historisch onderzoek.

In de maanden oktober en november van 1999 heeft de ROB beide burchtterreinen prospectief onderzocht. RAAP heeft, in opdracht van de ROB, tevens een booronderzoek uitgevoerd om de loop van de rivier de Kuinder of Tjonger te achterhalen. Bij de uitwerking in deze scriptie zijn onder andere ook de gegevens van een kort noodonderzoek, dat al reeds in februari 1999 door de ROB op het bedrijventerrein ten noorden van de tweede burcht is uitgevoerd, betrokken en werd er gebruik gemaakt van vondstmateriaal dat in de loop der jaren op de kavels R77, M131 en M132 is gevonden. De uitkomsten hiervan zijn gecombineerd met een herinterpretatie van de opgravingsgegevens van Modderman uit 1943 en Van der Heide uit 1948 en 1951.

Uit het onderzoek blijkt dat het oudste vondstmateriaal van het terrein van burcht I uit de 12e eeuw dateert. In de eerste bewoningsfase lijkt sprake te zijn van een vlaknederzetting met greppels/slootjes die te maken kan hebben met de ontginning van het terrein.

Pas in de tweede bewoningsfase, die in het laatste kwart van de 12e 13e eeuw ligt, zijn er aanwijzingen gevonden voor de bouw van een versterking. In deze periode is een heuvel opgeworpen met daaruit oprijzend een bakstenen ringmuur. De jongste opgraving en de herinterpretatie van de opgravingsgegevens van Modderman hebben uitgewezen dat rond dit middenterrein waarschijnlijk zes grachten hebben gelegen. Het tracé van de grachten en de vondst van enkele verbindingsgrachten lijken er op te wijzen dat er aan de zuidzijde van het complex mogelijk een voorburcht aanwezig is. Dit deel van het terrein kon in verband met het aanwezige bos niet verder worden onderzocht.

Het complex is tot in de tweede helft van de 14e eeuw in gebruik gebleven. In deze periode zijn enkele grachten gedempt en werd in ieder geval één nieuwe gracht uitgegraven. Er zijn ook aanwijzingen dat een oudere gracht in deze periode mogelijk nog open lag. Het kasteel valt in de typologie van Janssen in te delen bij de mottekastelen. De grote hoeveelheid grachten geeft aan dat dit kasteel dat dit complex tevens tot de waterburchten kan worden gerekend.

Op basis van botanisch onderzoek en de vondst van een grondspoor dat met Zuiderzeezand was opgevuld zijn er aanwijzingen dat vernatting en verzilting een rol speelden bij het opgeven van de eerste burcht.

Op ongeveer 600 meter ten noordoosten van de eerste burcht is, meer landinwaarts, aan de overzijde van de rivier een tweede burcht gebouwd. Op basis van het jongste aardewerk van burcht I en het oudste aardewerk van burcht II kan de overgang van het ene naar het andere kasteel in de tweede helft van de 14e eeuw worden geplaatst. Deze overgang is dus nog onder leiding van de heren van Kuinre geschiedt en niet op last van de bisschop van Utrecht zoals op basis van historische bronnen en de oude opgravingen werd aangenomen.

Bij de opgravingen is gebleken dat ook de tweede burcht een ronde vorm en een heuvel heeft gehad. De tweede burcht was naar alle waarschijnlijkheid ook een mottekasteel en kan door de aanwezigheid van een complexe omgrachting ook tot de waterburchten worden gerekend.

Publicaties:

Boer, P.C. de - 'Oude burchten in het nieuwe land : de middeleeuwse kastelen van Kuinre, , (met illustratie)
Gevers, A.J. - De havezaten in het land van Vollenhove en hun bewoners, -- blz. 71-77, (met illustratie)